In dienst van het kwaad

“Eliminating world poverty”, was één van de statements die Tony Blair maakte bij zijn aantreden als premier in 1997. Uiteraard is van die ambitieuze plannen niets terecht gekomen. Dat ligt minder aan Blair dan aan het systeem van ontwikkelings- en humanitaire hulp, zoals zich dat sinds de hongersnood in Biafra eind jaren zestig in de mondiale arena heeft gemanifesteerd.
Hulporganisaties zijn, alle oprechte goede bedoelingen ten spijt, meer een onderdeel van het probleem geworden dan ze onderdeel van de oplossing zijn. Het wellicht meest aansprekende voorbeeld daarvan is de Ethiopische hongersnood van 1984 en ’85, die door de Ierse popzanger Bob Geldof en passant werd gebruikt om zijn muziekcarrière nieuw leven in te blazen. Ethiopië ging in 1984 gebukt onder het communistische regime van Mengistu Haile Mariam, die oorlog voerde tegen rebellen in het noorden van het land en voedselblokkades daarbij als een geoorloofd strategisch middel beschouwde. Honger was niet alleen het logische, maar zelfs het gewenste gevolg van het beleid van de Derg, zoals het regime werd genoemd. Het geld dat werd opgehaald met het door Geldof geïnitieerde Live Aid project, werd grotendeels besteed aan het financieren van massale, door de Derg georkestreerde bevolkingsverplaatsingen, die volgens de officiële lezing ontsnapping aan de hongerdood ten doel hadden, maar in werkelijkheid de zoveelste poging van Mariam waren om de noordelijke rebellenlegers nog verder te isoleren en zijn moorddadige stalinistische regime in het zadel te houden. Internationale hulporganisaties, aangespoord door naïevelingen als Geldof en U2-voorman Paul Hewson, hielpen ijverig mee aan de instandhouding van een wrede dictatuur. Alleen de Franse tak van Artsen Zonder Grenzen uitte ernstige bedenkingen en werd er meteen uitgeknikkerd. In 1991 werd de Derg verdreven en nam de aanvankelijk door het Westen bewierookte rebellenleider Meles Zenawi de macht over, die zich naar goed Afrikaans gebruik al snel tot net zo’n potentaat ontwikkelde als zijn voorganger.
De perverse gevolgen van de kip-zonder-kop-mentaliteit die bij hulporganisaties stevig post heeft gevat, zijn exemplarisch gedocumenteerd door de Nederlandse journaliste Linda Polman, die in 2001 naar Sierra Leone afreisde om ex-‘warlords’ te interviewen, die het land tien jaar lang hadden geterroriseerd. De misdadigers refereerden aan hulporganisaties als “vrouwen”, omdat ze “voor mensen zorgen.” “Pas toen we ledematen begonnen af te hakken, hadden we de aandacht van de vrouwen en begonnen geld en hulpgoederen binnen te stromen.” Dat verhaal wordt drie jaar later bevestigd door getuigenissen voor een waarheids- en verzoeningscommissie, die een bijeenkomst van rebellenleiders en regeringstroepen beschrijven waarin overeengekomen werd dat verminkingen de beste manier waren om internationale aandacht te genereren. “Toen we handen begonnen af te hakken ging er geen dag voorbij of de BBC wilde met ons praten”, aldus ‘General Cut-Throat.’ “Gruwelen zaaien om hulp te oogsten en geoogste hulp die nieuwe gruwelen zaait; het is het logische gevolg van het moderne humanitaire hulpsysteem”, betoogt Polman.
De controverse rond deze materie is echter niet uitsluitend van deze tijd. In 1864 beargumenteerde de Zwitserse bankier en oprichter van het Rode Kruis Henri Dunant dat hij regeringen geld bespaarde met zijn vrijwilligersorganisatie, die er bovendien voor zorgde dat er minder geldverslindende gehandicapten van het slagveld in de samenleving terugkeerden. Florence Nightingale achtte Dunants uitgangspunten principieel onjuist en contraproductief. Een dogmatisch idealistische organisatie van vrijwilligers die oorlogvoeren goedkoper maakt, was volgens haar medeverantwoordelijk voor het ontstaan van nieuwe oorlogen, waarmee ze, terzijde, het door mij persoonlijk gekoesterde argument tegen vrijwilligerswerk in het algemeen kracht bij zet: het lijkt allemaal mooi en aardig, maar ergens is er altijd wel iets of iemand die er oneigenlijk garen bij spint.
De mensonterende omstandigheden die we tegenwoordig een humanitaire ramp noemen, zijn in veel gevallen symptomen van politieke verwikkelingen, waardoor geboden hulp per definitie politieke consequenties heeft. De grote hongersnoden van de twintigste eeuw waren veel vaker dan daarvoor het directe gevolg van menselijk handelen dan van natuurrampen. Door hun onbaatzuchtige, neutrale optreden verlichten hulporganisaties de financiële, administratieve en logistieke lasten voor alle oorlogvoerende partijen en werken daardoor meer als katalysator dan als rem. Een bizar voorbeeld daarvan is de geheimhouding waartoe het Rode Kruis zich tegenover nazi-Duitsland verplichtte, in ruil waarvoor het toegang kreeg tot concentratiekampen. Het is frustrerend dat we dit soort abjecte misdrijven niet weten te voorkomen, maar daarom hoeven we ze nog niet te faciliteren. Neutraliteit in het aangezicht van het kwaad is nauwelijks nog te onderscheiden van medeplichtigheid.
8 Reacties op “In dienst van het kwaad”
Reacties
Lees de reacties of geef zelf een reactie...



Ik heb altijd al een zekere weerstand gevoeld tegen zogenaamde hulporganisaties, ook omdat je nooit te weten komt waar jouw euro precies naar toe is gegaan. Ik had altijd wat moeite mijn standpunt te verdedigen omdat ik er niet precies de vinger op kon leggen waarom ik er zo’n weerstand tegen voelde. Bedankt voor je heldere uiteenzetting.
Graag gedaan. Die kwestie Waar Blijven Centjes heb ik nog niet eens aangesneden, maar is inderdaad ook zoiets.
In Haiti zie je dat bijvoorbeeld goed terug. Daar zijn miljoenen naartoe gesluisd en er is niets veranderd. De puinhoop is nog evengroot dan een jaar geleden.
Ook hier die weerstand, ik doe er dan ook niet meer aan mee. Wel is er dat knagend schuldgevoel als ik de vreselijke beelden van betreffende organisaties zie. En dat geldt niet voor mij alleen. Er zijn heel veel mensen die (hun vaak zuurverdiende) centjes geven. Iedereen wil altijd weten waar zijn of haar geld naar toe gaat maar door de schrikbarende beelden is dat ineens niet meer nodig? Blijkbaar niet. Tijd voor een eye-opener!
Het probleem is dat het te ondoorzichtig is geworden. Niemand weet meer, of kan uitleggen wat er allemaal met dat geld gebeurt. Soms goede dingen, maar soms verdwijnt het ook in zakken waar het niet in hoort. Ik zou best bereid zijn om zuurverdiende centjes af te staan aan mensen die het nodig hebben en niet eens in staat zijn of niet meer in staat zijn om centjes te verdienen, zuur of niet zuur. Maar je weet nooit zeker of het bij diegene terecht komt waar het voor bestemd is.
Er zijn gelukkig hordes mensen die zelf de handen uit de mouwen steken op plekken waar dat hard nodig is. Die mensen kun je ook steunen met zuurverdiende centjes en dan weet je zeker dat het goed terecht komt.
Juist. Maar daar gaat mijn artikel niet over, dus eigenlijk discussieren we nu off-topic.
‘k Wilde het, off-topic dan, toch maar even gezegd hebben.